Er is een fout opgetreden, probeer het later nog eens.

De NPO app

Download

VPRO Boeken

Daphne Huisden en Jan Bor

26 dec 2010 11:20

VPRO • 40 min

Een gesprek met Daphne Huisden over haar romandebuut: Alles is altijd fictie en met filosoof Jan Bor over Een (nieuwe) geschiedenis van de filosofie, waarin antwoord op de vraag: wie ben ik?

De hoofdpersoon in de roman Alles is altijd fictie, het debuut van de 22-jarige schrijfster Daphne Huisden, verlaat het ouderlijk huis en gaat op zichzelf wonen. Een nieuw leven. Het biedt de kans om te ontdekken wie je nu eigenlijk bent. Terwijl je jezelf als doodnormaal beschouwt kom je in een omgeving terecht die je leven gronding in de war brengt. De vraag ‘wie ben ik?’ maakt langzaam plaats voor de vraag ‘waar ben ik?’ En wat is het nut van bescheidenheid als die nooit wordt beloond? “We hebben het niet goed gedaan,” had vader nog gezegd. “Ik ben zo bang dat je straks niet weet hoe je een mens moet zijn. Een echt mens. Met eigen gedachten. Zonder die echo in je hoofd. Die eeuwige echo.” Met die stem refereerde hij aan zijn bemoeizieke vrouw, waarmee zelf nadenken onmogelijk werd gemaakt. “Word iemand! Wil je me dat beloven? Iemand. “ Het is inmiddels vier jaar geleden dat vader zelfmoord pleegde. Om de belofte in te lossen besluit de hoofdpersoon op zichzelf te gaan wonen. Een tijdelijke woning wordt betrokken. Het pand zal op den duur tegen de vlakte gaan om plaats te maken voor een nieuw te bouwen parkeergarage. Op zolder woont Gizmo, een oude kluizenaar. Door zijn neurotische verzameldrift oogt zijn woonruimte als een papieren grot. Met Gizmo wordt een hechte vriendschap gesloten. Hij helpt ‘kleine’, zoals Gizmo de hoofdpersoon steeds noemt, bij het ontwikkelen van een sterkere persoonlijkheid. Na een paar weken krijgt het nieuwe leven allerlei drastische wendingen. Niets lijkt nog op wat het was. De moeder is de deur gewezen. Er worden veel vijanden gemaakt, met mensen in de directe woonomgeving en op het werk. Personen die de hoofdpersoon ruimte proberen af te nemen die met veel moeite verworven is. “Ik ben de onzichtbare mens die iedereen een kans wil geven. Maar soms zijn de kansen op en blijven alleen de waarschuwingen over.” Maar wat te doen als waarschuwingen niet volstaan? Volgens de oude opvatting zou de filosofie in Griekenland zijn ontstaan, waar Thales als eerste naar een rationeel antwoord zocht op de vraag wat de oorzaak van de wereld en het uitspansel was. Niet dat India en China geen denkers hebben gehad, maar hun denken was slechts een voorgeschiedenis van de echte geschiedenis van het denken, die in het Griekenland van Thales begon. In E en (nieuwe) geschiedenis van de filosofie corrigeert filosoof Jan Bor dit eurocentrische vooroordeel door de westerse filosofie in het bredere verband van de Aziatische filosofie te plaatsen. Is Griekenland de geboorteplaats van de filosofie? “Nee, driewerf nee!,” stelt Jan Bor. De filosofie is ongeveer gelijktijdig in India, China en Griekenland ontstaan. Het begin van de Griekse filosofie is net als bij de twee andere denktradities uit de schoot van de mythen geboren. Maar de denktradities die zich in China en India ontwikkelt hebben doen niet voor elkaar onder wat betreft rijkdom en diepgang. Hoe verschillend en op het eerste gezicht onverenigbaar de drie denktradities dan ook mogen zijn, er vindt al geruime tijd een dialoog en een ontmoeting tussen die tradities plaats. In zijn boek zet Bor allereerst de drie tradities uiteen, aan de hand van de verschillende kenmerken en de denkbeelden van de meest invloedrijke filosofen. Vervolgens wordt de filosofie van de Late Oudheid tot en met de twintigste eeuw behandeld, waarbij de filosofen, die in het desbetreffende tijdvak betekenisvol zijn geweest, met elkaar in dialoog gaan. Filosofen ondergaan immers de invloed van vroegere denkers, maar reageren evengoed op hun gedachten. Er zijn voortdurend overlappingen: juist daar vinden de meest interessante kruisbestuivingen plaats. Zo ging in de Late Oudheid het joods-christelijke denken een huwelijk aan met de Griekse filosofie en in de Renaissance leidde de bevruchting van de verschillende tradities tot het relativisme. Ook vertoont het denken van uiteenlopende figuren als Leibniz, Hume, Schelling, Schopenhauer en Heidegger sporen van oosterse beïnvloeding.

VPRO Boeken >