Alles
nl
TOT GOD God allemachtig, je kan me gestolen worden. ’k Heb jou niet lief en evenmin bemin ik het woord, het vlees geworden, ferm gekneed en gaargestoofd gehakt der schone poëzij. Al wat zich waarheid waant en wil aanbeden, zal ik weerspreken tot mijn tong verdroogt. Want ik ben dichter, timmer gaten dicht en kieren, hamer schotten tegen blikseminslag van het lot, sla spijkers waar jouw donder dreigt, en vloek het gluipen van de gifslang die jij zendt, o god. Ik zal er staan, van aangezicht tot aangezicht wanneer je duistre spiegel breekt; maar als David met zijn slingersteen. Zolang ik duur, hoed ik mijn hart, het wankel fort aan het ravijn dat jij zo wonder schept – door slagen van je hand. Ik baken wereld af, verweer me tegen overmacht en roverlust: jij ratst gestaag de lieve levens van wie mij lief zijn en met wie ik delen mag de razernij om afscheid dat jij ons proeven doet al in de eerste kus – jouw dood, jouw as, jouw roet. © 2005, Anneke Brassinga From: Wachtwoorden Publisher: De Bezige Bij, Amsterdam, 2005nl