Er is een fout opgetreden, probeer het later nog eens.

De NPO app

Download

Radio Kamer Filharmonie o.l.v. Frans Brüggen

15 mei 2013 14:35

• •

Repetitiefragmenten uit Cantate Laß, Fürstin! Laß noch eine Strahl ('Trauer-Ode') (1727) BWV198 en uit de Ricercare a 6 uit Musikalisches Opfer BWV1079 (1747) (instrumentatie Wim ten Have). Uitvoerenden: Radio Kamer Filharmonie olv Frans Brüggen Het behoort tot de meest saillante of pijnlijke details uit Bachs leven dat hij in 1723 tot nieuwe cantor van de Thomaskerk en Thomasschool werd gekozen "omdat we geen betere konden krijgen." Deze woorden van de commissie, die de opdracht had gekregen een geschikte opvolger voor de in 1722 overleden Johann Kuhnau te vinden, geven vooral aan dat ze had gezocht naar een universitair geschoolde musicus; zowel Georg Philip Telemann (eerste keuze) als Christoph Graupner (tweede keuze) waren dat. De relatie met bepaalde fracties in Leipzig is in de daaropvolgende 27 jaar (tot op Bachs overlijden in de zomer van 1750) voor Bach lastig gebleven. De ontstaansgeschiedenis van de cantate Laß, Fürstin! Laß noch eine Strahl (BWV 198) laat goed zien dat Bach niet door iedereen in Leipzig evenzeer werd gewaardeerd. Deze Trauer-Ode bij het overlijden van keurvorstin Christiane Eberhardine (de echtgenote van keursvorst August de Sterke, residerend in Dresden) op 5 september 1727 was namelijk, als de universiteit van Leipzig had gelegen, niet door Bach, maar door Johann Gottlieb Görner (1697-1778) gecomponeerd geworden. Dat Bach toch de muziek bij de tekst van Gottsched mocht schrijven, was te danken aan de vasthoudendheid van de student Carl von Kirchbach. Deze had het hof en de universiteit gevraagd in de Paulinerkirche een lof- en treurrede te mogen houden op de overleden vorstin. In het Lutherse Leipzig had zij hoog aanzien genoten, omdat ze haar echtgenoot niet was gevolgd in diens aanvaarding van het katholicisme om de Poolse koningskroon te kunnen verwerven. Von Kirchbach wenste Bach als componist voor de treurcantate en dreigde de gelegenheid af te zeggen op het moment dat de universiteit hem hierin de voet dwars zette. Uiteindelijk haalde de universiteit bakzeil, maar verlangde wel dat Bach een verklaring zou ondertekenen dat hij aan deze gelegenheid geen toekomstige rechten kon ontlenen (maar die handtekening heeft de universiteit nooit gekregen). Gelukkig voor Bach waren er andere plaatsen dan Leipzig waar de waardering voor zijn werk veel groter was. Twintig jaar na de compositie van cantate 198 bezocht Bach Schloss Sanssouci, het slot van de muziekminnende en fluitspelende koning Friedrich II (Frederik de Grote), nadat deze zijn hofklavecinist Carl Philip Emanuel Bach verschillende keren had gevraagd zijn vader te verzoeken Sanssouci een keer aan te doen. Ooggetuigen hebben verteld over de opwinding die zich van Friedrich meester maakte toen deze vernam dat Bach zich in het huis van Carl Philip Emanuel bevond. Er wordt verteld dat hij Bach niet eens de gelegenheid gaf om zich om te kleden na de vermoeiende reis, maar hem onmiddellijk achter de Silbermann-piano's dirigeerde. De beroemdste anekdote van 7 mei 1747 vertelt echter van het moment dat Friedrich Bach een zelfgecomponeerd fugathema toonde met het verzoek hier een driestemmige fuga over te improviseren. Twee maanden later herinnerde Bach Friedrich hieraan op het moment dat hij zijn opdracht schreef bij het Musikalisches Opfer (BWV 1079). Daarin stelde Bach dat hij zelf ontevreden was geweest over zijn improvisatie omdat het hem opgegeven thema een betere behandeling verdiende en dat hij daarom had besloten de muzikale rijkdom die in 'dit waarachtig koninkijke thema' lag opgesloten in twee ricercares voor klavecimbel (een driestemmige en een zesstemmige, welke vanavond in instrumentaties van Frans Brüggen en Wim ten Have worden uitgevoerd), tien canons en een sonata da chiesa voor fluit, viool en basso continuo uit te werken, die hij Friedrich hierbij aanbood.