Er is een fout opgetreden, probeer het later nog eens.

De NPO app

Download

Bert Keizer en Anna Enquist (HH)

20 jun 2010 11:20

VPRO • 40 min

Bert Keizer liep drie maanden mee op de afdeling neurochirurgie van de VUmc in Amsterdam en schreef daarover 'Onverklaarbaar bewoond'. Anna Enquist vertelt over haar nieuwe bundel 'Nieuws van nergens', waarin ze het verlies van een kind in woorden vangt.

Neurochirurgen hangen continu boven een afgrond. Het risico op onherstelbare beschadiging ligt altijd op de loer. Wie zijn zij, die durven te snijden in het meest kwetsbare onderdeel van alles: de ziel? Voor Onverklaarbaar Bewoond liep Keizer drie maanden mee op de afdeling neurochirurgie van de VUmc in Amsterdam, waarvoor hij werd uitgenodigd. De voornaamste insteek daarbij: wat gaat er om in het hoofd van iemand die –bot gezegd- in het hoofd van iemand anders snijdt? Keizer fascineerde zich al langer voor de samenhang tussen hersenen en ziel, die even onlosmakelijk als onverklaarbaar met elkaar verbonden zijn: “Iemand zei eens dat het bewustzijn in ons lichaam zit zoals de stemming in een feest. Later hoorde ik iets vergelijkbaars over de benen van Sven Kramer, waar over gezegd werd dat daar een gouden medaille inzit. Dat geldt ook voor onze ziel: anatomisch is die in ons lichaam niet aanwezig. Maar hij zit er, onmiskenbaar.” Keizer leerde de neurochirurgen kennen als onverschrokken artsen die tijdens hun werk simpelweg niet teveel moeten nadenken over waar ze mee bezig zijn. “Er is geen ruimte voor overwegingen. Je moet je werk doen en de tumor eruit peuteren. Het zenuwachtige moment komt pas de volgende dag: als je terugmoet naar de patient om te kijken wat de operatie nu eigenlijk heeft opgeleverd.” Neurochirurgie lijkt daardoor veel weg te hebben van koorddansen: hoe geoefend je er ook in bent, de kans op een fout ligt altijd op de loer. “Zo’n chirurg zit altijd met het risico dat hij de ziel van een patient beschadigd heeft. Zelfs als een operatie geslaagd is kan iemand zijn spraakvermogen even kwijt zijn. Of kan er sprake zijn van een gedragsverandering. Je snijdt hoe dan ook toch een hoop ragfijne draden door. Dan kan bijvoorbeeld de behoefte aan lichamelijkheid ineens wegvallen, wat een oudere man in het boek overkomt. Zijn vrouw zei later: “Ik ben blij dat jullie het gedaan hebben. Maar het is mijn Henk niet meer.” In haar nieuwe bundel Nieuws van nergens vangt Anna Enquist het verlies van een kind in woorden. Onderwerpen waaieren breed uit: van voetbal tot winter, en van zoutwinnen tot cello spelen. Maar in elk gedicht komt haar dochter terug. Enquist laat zich niet troosten met de hoop van een hiernamaals. Geen rooskleurig beeld van een leven na de dood als pleister op de wonde. Alles wat overblijft van haar verongelukte dochter Margit zijn spullen. Wat eens rommel was, heeft nu betekenis, zo schrijft ze in Hier: 'Het hiernamaals ligt op tafel, met verkruimelde randen: ‘Paradiso, elf uur. Schoenen!’ Het krimpt, het verdwijnt in bittere dozen Bij dagboek en roomklopper.’ Enquist: “Je wordt als het ware de hoeder van die spullen. Wie er niet meer is, blijft zo in leven. Het klinkt pathetisch, maar je voelt de verantwoordelijkheid om dat als ouder te doen. Zo heb je nog een taakje als moeder.” Het heeft lang geduurd voor Enquist op deze manier over het verlies wist te schrijven, maar in Nieuws van nergens slaagt ze erin. Zelf noemt ze deze bundel ‘beter gelukt’ dan voorganger De tussentijd, die ze vrij snel na het ongeluk schreef. “Je moet een zekere distantie hebben om iets te maken, je moet er als het ware boven hangen. Overzicht houden. Die had ik toen niet, ik zat er nog middenin." Emotie en directe bewoordingen voor het altijd aanwezige verdriet van de schrijfster worden nergens geschuwd. Nieuws van nergens is dan ook allesbehalve omfloerste poëzie. Maar er is tijd overheen gegaan, en dat merk je. Enquist: "Als je schrijft moet je wegzakken in het gevoel, maar er ook weer uit opstijgen door je bezig te houden met het technische van het schrijven: waar zet je de witregels, hoe ga je het zeggen. Als dat dan gelukt is kun je, hoe gek het ook klinkt, blij worden van iets dat zo erg is.” Tekst: Hans van Lissum