Alles
nl
DE GOEDE AFLOOP Wat doen we hier eigenlijk, vragen we ons niet af zolang het huppelen van wijsjes uit de luidsprekerboxen voortgaat, in de bomen hangen ze onzichtbaar, en wij maar denken dat het vogels zijn die kwinkeleren – wat doen we hier? Eerst eens voelen of de voeten warm genoeg en niet al te pijnlijk verknobbeld zijn, dan even goed luisteren naar het lichte geborrel in de diepte van ons ingewand, oude waarzegster die laat weten of we alweer verrekken van honger zoniet dorst, je komt er immers niet achter anders en het moet niet in het honderd lopen in het hier, het verzandende, de bossige verstuiving waar de limonadekraampjes de een na de ander luchtspiegeling blijken als je hijgend dacht er te zijn – in het hier waar je wandelt en, door steeds het niet te kunnen laten nog weer om te kijken naar waar je vandaan kwam, niet ophoudt te struikelen over stronken, schrammen op te lopen van ruwe eikenschors en roest- of bloedrood prikkeldraad, resten van beschaving. En hoe vaker je terug- blikt, voortzwoegende, op de wonderschone zonsopgang roerloos in je rug boven het verre geboomte dat onhoorbaar ruist, hoe beter je weet: dat ontwaken met de frisheid van limoenen, die paradijselijke eerste hap van de tropische verrassing in een jasje van melkchocolade – het verblindend prille komt niet weerom. Wat doen we hier? Wat we niet doen is opletten. Of is de afgrond onzichtbaar, of bestaat er geen afgrond voordat je erin valt, langs gladde steenwand suist? Het gaat gezwind. In het gras naast de beek op de bodem wacht God, zo blij als een moeder die al die tijd thuis is gebleven, met ’n schaaltje pinda’s, sherry in het glas. En vanachter de bloeiende bomen, eindelijk daar komen ze, de vermisten voor wie je onmisbaar, die jij niet missen kon. © 2006, Anneke Brassinga Uit: IJsgang Uitgever: De Bezige Bij, Amsterdam, 2006nl