Alles
nl
Dwangstoornissen Eén tot drie van de honderd volwassenen lijdt aan een dwangstoornis. Ze controleren bijvoorbeeld keer op keer of ze het gas wel uitgedraaid hebben of zijn uren per dag bezig hun handen te wassen. De helft van deze patiënten heeft baat bij cognitieve gedragstherapie of medicijnen. Gedurende die therapie leren deze patiënten hun dwanghandeling te onderdrukken. Uiteindelijk zal de aandrang om die dwanghandeling uit te voeren geleidelijk afzwakken. Of die behandeling succes heeft, is afhankelijk van de mate waarin de patiënt inzicht heeft in zijn probleem. Dat wil zeggen als die weet dat het fornuis controleren eigenlijk niet nodig is, omdat hij zelf gezien heeft dat het gas al uit is. Maar patiënten die hun eigen waarneming niet geloven, zijn veel moeilijker te helpen met cognitieve gedragstherapie. Voor die patiënten is een nieuwe therapievorm ontwikkeld, ‘Inference Based Approach’ (IBA). Die therapie gaat er van uit dat dwangpatiënten fantasie en werkelijkheid verwarren. Ze hechten meer geloof aan het verhaal in hun hoofd over wat er aan de hand zou kunnen zijn, dan aan wat ze zelf zien, horen, ruiken, voelen of proeven. Het verhaal in hun hoofd, namelijk dat het theoretisch mogelijk is dat ze het gas niet uitgedraaid hebben, is sterker dan de wetenschap dat ze dat wel gedaan hebben. Ze geloven veel sterker in hun dwangbeeld dan de patiënten die baat hebben bij cognitieve gedragstherapie. In de IBA-behandeling leert de patiënt weer te vertrouwen op zijn zintuigen en niet meer waarde te hechten aan een verhaal in zijn hoofd dan aan de waarneembare realiteit. Hij leert herkennen waarom dat verhaal zo echt lijkt en waarom hij aan zijn zintuigen twijfelt. Ook probeert de therapeut erachter te komen waarom de patiënt juist voor dit verhaal gevoelig is. Psycholoog Henny Visser gaat onderzoek doen naar het effect van de IBA-therapie. Daarvoor is zij nog op zoek naar proefpersonen. ----- Speating De omgeving waarin je eet beïnvloedt je eetgedrag. Verslaggever Annemieke Smit ging in Wageningen naar het festival Food4you, waar gelegenheid was tot ‘speating’, een culinaire variant op speed-dating. In een grote tent kon je iedere vijf minuten wisselen van ‘eetomgeving’. Noorderlicht-redacteur Annemieke Smit, die altijd graag een vorkje meeprikt, schoof aan en legde het circuit af met Remko Enserink, een van de organisatoren. En mocht u nieuwsgierig zijn: in de auto nuttigde wetenschapsredacteur Annemieke Smit samen met haar ‘dinnerdate’ een frikandelletje en een bitterballetje. ----- Concurrerende roofdieren Ecologen gaan er altijd van uit dat roofdieren die op dezelfde soort jagen elkaars concurrent zijn. Als er één soort achteruit gaat in aantal, is dat automatisch goed voor de andere. Een beetje zoals twee groenteboeren in dezelfde straat. In dat model zijn de individuen van een prooi-soort allemaal hetzelfde. Volgens de Amsterdamse hoogleraar theoretische ecologie André de Roos klopt die aanname niet. Prooidieren zijn niet allemaal even groot. Jongen en volwassenen hebben een andere functie in het ecosysteem. Hij ontdekte dat concurrenten juist profijt van elkaar hebben: als de ene soort in aantal achteruit gaat, doet de andere dat ook. Een goed voorbeeld is de het trio sprot, kabeljauw en zeekoet in de Oostzee. Kabeljauwen leven van jonge sprotjes (een vissoort), zeekoeten eten volwassen exemplaren. Nu is een groot deel van de kabeljauw in de Oostzee weggevist en dus worden meer sprotjes volwassen. Daarom zijn er nu veel meer volwassen sprotjes dan voorheen, maar die moeten het doen met dezelfde hoeveelheid voedsel. Hun conditie gaat achteruit. Voor de zeekoeten, die leven van volwassen sprot, blijven er visjes over met een lager vetgehalte, die minder voedzaam zijn. Ze vangen voor hun jongen alleen nog maar kleine visjes en krijgen daarom minder nageslacht. Na de kabeljauwstand gaat dus ook de zeekoetenstand achteruit. En de sprottenstand wordt nog veel ongezonder omdat nu ook zeekoeten minder op ze jagen en ze het beschikbare voedsel met nog meer individuen moeten delen. De onderlinge afhankelijkheid van roofdiersoorten leidt dus tot een hogere biodiversiteit dan je zou verwachten op grond van het aantal aanwezige prooisoorten. Maar de keerzijde is dat bij het uitsterven van één roofdiersoort, de andere ook gevaar loopt. Die kan niet overleven zonder zijn schijnbare concurrent.nl