Alles
nl
Deel één van een achtdelige serie over fabrieken en hun invloed op de omgeving. In dit deel: de rijwielfabriek 'Gazelle' in Dieren. Interviews over de bijna honderdjarige geschiedenis van 'Gazelle': - oud-directeur Wim Breukink; - oud-werknemer Jansen van Velzen; - oud-werknemer Albert van Someren. Met 'Het Gazellelied' gezongen door het Dierens Mannenkoor en geïllustreerd met archiefmateriaal. Inleidende teksten: Tekst 1 Eens moet het een lieflijk plaatsje geweest zijn, het Gelderse Dieren gelegen boven Arnhem. Nu is de oude kern verstopt achter saaie rijtjeshuizen en heeft het de aanblik van elk gemiddeld dorp in Nederland, met een winkelcentrum lijkend op elk ander winkelcentrum in ons land. Het dorp is alleen bijzonder door de aan de spoorlijn gelegen rijwielfabriek Gazelle, die bijna honderd jaar geleden buiten het dorp werd opgetrokken en waar de nieuwere wijken omheen werden gegroepeerd. In het statige, traditionele fabriekscomplex, waar ooit de vélocipèdes met de hand werden vervaardigd, rollen nu de modernste sportfietsen en all-terrain-bikes in duizenden stuks van de lopende band. "De Gazelle", zoals de fabriek door de Dierenaren steevast wordt genoemd, is nog steeds een begrip. Ook al werk je er niet, je rijdt in Dieren in elk geval op een fiets uit de eigen fabriek. Aan het eind van de vorige eeuw is een fiets nog een luxe vervoermiddel. Willem Kölling, ambtenaar bij de posterijen is één van de eerste Dierenaren die zich er op verplaatst. Kölling raakt gefascineerd door dit nieuwe vervoermiddel en onderkent er de economische mogelijkheden van. Oud-directeur Wim Breukink over zijn oom, de stichter van de rijwielfabriek: Tekst 2 De merknaam Gazelle ontstaat in 1902, als de fabriek verhuist naar het complex aan de andere kant van de spoorlijn. Vooral dank zij de in 1884 opgerichte ANWB, de Algemene Nederlandse Wielrijders Bond, neemt het fietsen snel in populariteit toe. De oprichter en eerste voorzitter van de ANWB, Edo Bergsma, vertelt bij zijn aftreden in 1937 welk doel hem vanaf het begin voor ogen stond. Tekst 3 De heer Jansen van Velzen is 40 jaar bij de Gazelle in dienst geweest. 'Het was één grote familie,' zegt hij, 'want als er iets aan de hand was in je familie, kon je er zeker van zijn dat één van de directeuren zo nodig bijsprongen." Hij werkt eerst bij Thomassen, een motorenfabriek in De Steeg. Op de avondschool valt hij op als technisch tekenaar en hij wordt gevraagd bij De Gazelle te komen. Maar een motorenfabriek heeft meer aanzien dan een bedrijf dat fietsen fabriceert en dus aarzelt hij. Uiteindelijk kiest hij toch voor Gazelle omdat het in de dertiger jaren een onzekere tijd is en de rijwielfabriek bekend staat als een gezond bedrijf. Hij begint als fijnbankwerker, daarna werkt hij zich op tot technisch tekenaar die de ontwerpen moet uitwerken. Zijn vader is al vanaf 1904 bij de fabriek werkzaam. Ook van die tijd weet Jansen van Velzen zich nog iets te herinneren. Tekst 4 In de beginjaren vestigt Gazelle niet alleen een naam als producent van kwaliteitsfietsen, ook het sociale beleid van de directeuren Willem en Hendrik Kölling en hun neef Jan Breukink onderscheidt zich van dat van andere fabrikanten. Op eigen initiatief wordt er een ziekenfonds en een pensioenfonds voor het personeel opgericht. Een groot nadeel van het werk bij Gazelle is de seizoensgebonden vraag naar fietsen. Oud-directeur Wim Breukink. Tekst 5 De invloed van de directie beperkt zich niet alleen tot het bedrijf zelf. Ook in het dorp hebben de heren veel te vertellen. Albert van Someren merkt dat als hij in 1936 op de montageafdeling komt te werken. Tekst 6 Gedurende de oorlog gaat de productie bij Gazelle gewoon door. De onderdelen komen uit Duitsland en de fietsen zijn bestemd voor de Wehrmacht. Er wordt hier en daar door het personeel wel een poging gedaan tot kleine sabotage: bij het uitladen bijvoorbeeld vallen de onderdelen dusdanig door elkaar, dat de productie stagneert. Maar over het algemeen blijft iedereen zijn werk doen om tot elke prijs te voorkomen dat men als dwangarbeider naar Duitsland getransporteerd wordt. Ook Jansen van Velzen is daar bang voor, hij weet de Duitsers die de productie controleren voortdurend te ontlopen. Tot aan 1944 draaien de machines door. Tekst 7 Als in de loop van 1946 de toelevering van onderdelen en materiaal weer op gang komt, breekt voor Gazelle een periode van grote bloei aan. Door de roofzucht van de Duitse bezetter bezit vrijwel niemand meer een fiets, dus is de vraag enorm. Vooral de klassieke, zwarte toerfiets wordt in enorme aantallen vervaardigd. Om de productie nog verder op te voeren en om de kosten te verlagen wordt in 1957 de lopende band ingevoerd. Voor de monteurs, die altijd gewend waren om zelfstandig een hele fiets in elkaar te zetten, heeft dat een enorme invloed op hun werk. Albert van Someren vertelt daarover. Tekst 3 Te horen was het finishverslag van Theo Koomen van het wereldkampioenschap wielrennen van 1969, dat werd gewonnen door de Nederlander Harm Ottenbros, lid van de Gazelle wielerploeg. Als Wim Breukink in 1952 naast zijn broers Marius en Gé de directie komt versterken, gaat hij zich vooral met het commerciële beleid bezighouden. Gazelle moet meer aan de weg timmeren. Tekst 9 Heel Nederland op de fiets en voor degenen die zich een auto kunnen permitteren, heeft men de Kwikstep, de vouwfiets, bedacht die zo handig in de kofferbak past. De merken Juncker, Locomotief en Simplex worden het bedrijf binnengehaald. Het familieconcern in Dieren lijkt te floreren, niemand heeft in de gaten dat er zware verliezen worden geleden. Ook de ondernemingsraad is niet ingelicht, aldus Albert van Someren. Tekst 10 Gazelle, zo'n tachtig jaar daarvoor overmoedig gestart met het importeren van fietsen uit Engeland, ziet zich genoodzaakt naar die bakermat terug te keren en haar aandelen te verkopen aan het Engelse Raleigh, een onderafdeling van Tube Investment. Voor de familie Breukink een pijnlijke ontwikkeling. Tekst 11 De sanering die de Engelse directie vanaf 1972 doorvoert, komt de arbeidsrust niet ten goede. Bovendien is Gazelle niet het enige bedrijf waarmee het slecht gaat. De hele metaalindustrie heeft begin jaren 70 sterk te leiden van de economische crisis. Op 28 februari 1973 vindt bij Gazelle een 24-uursstaking plaats, de eerste staking bij het bedrijf sinds 1916. Twee weken later besluiten de vakbonden om bij diverse metaalbedrijven voor onbepaalde tijd in staking te gaan om de CAO-eisen kracht bij te zetten. Ook bij Gazelle gaat het werk plat. Als kaderlid en lid van de ondernemingsraad is Albert van Someren bij de organisatie van de staking betrokken. Tekst 12 Na afloop is er bij de meeste werknemers veel onvrede over het feit dat de bond nauwelijks iets heeft weten te bereiken. Ook directeur Wim Breukink merkt dat de vakbondsleiders hun eigen leden nauwelijks meer in de hand kunnen houden. Tekst 13 Na de staking blijft vooral de onvrede over het geestdodende lopende-band-werk groot. Uiteindelijk lukt het de ondernemingsraad om de band grotendeels te vervangen door productie-eenheden van zo'n acht werknemers, die gezamenlijk de montage van een hele fiets voor hun rekening nemen. Hoewel de productienorm hoog blijft, kunnen de monteurs daardoor meer variatie in hun werk aanbrengen. Ook economisch is het met Gazelle steeds beter gegaan. Het afgelopen jaar werden meer dan 300.000 fietsen geproduceerd. De oude vertrouwde zwarte toerfiets maakt daar nog maar zo'n 5 procent van uit. De hoofdmoot wordt nu gevormd door de ATB`s en sportfietsen in de meest uiteenlopende kleuren. Door alle moderniseringen voelen veel oud-werknemers zich niet meer zo verwant met het bedrijf, dat nu onderdeel is geworden van een Amerikaans consortium. Fietsenmaken is niet langer meer een vak, het is een routinebezigheid geworden. De laatste vakmensen van de oude stempel werden in 1983 met de VUT gestuurd. Albert van Someren kijkt er met wrok op terug. Uitgebreidere documentatie aanwezig in VPRO archiefnl