Alles
nl
Zesdelige serie over de geschiedenis van de Zuid-Molukkers in Nederland. Deze aflevering gaat over het leven in de woonoorden. Wanneer in 1951 eenmaal in Nederland worden de dertienduizend Molukkers verspreid over meer dan zeventig zogeheten woonoorden: voormalige DUW-kampen, kloosters en concentratiekampen, met centrale keukens en waar de bewoners moeten rondkomen van een zakgeld van drie gulden per persoon per week. Werken is hen verboden en dat is de reden dat de mannen doen alsof ze niet uit de militaire dienst ontslagen zijn: elke ochtend is er appel en er wordt druk gemarcheerd onder leiding van sergeants, die ook verder in het kamp de baas zijn. Inleidende teksten: Tekst 1 In het begin van 1951 wordt duidelijk dat de Molukse oud-KNIL militairen alleen nog naar Nederland kunnen worden overgebracht. De Nederlandse regering had ze het liefst in Indonesië achtergelaten, maar dat is door de rechter verboden omdat hun leven daar niet veilig is. Als het eerste schip met oud-KNIL-lers op 20 maart 1951 in Rotterdam aanmeert, is er voor de opvang nog nauwelijks iets georganiseerd. Het grootste probleem betreft de huisvesting van de bij aankomst uit actieve dienst ontslagen soldaten met hun gezinnen: in totaal 12 en een half duizend Molukkers. De woningnood onder de eigen bevolking is nog enorm, waardoor er een noodvoorziening getroffen moet worden. Omdat de meeste Molukkers gewend zijn aan het tangsi-leven, het leven in de voormalige kazernes van het KNIL in Indië, worden allerlei kampen op het laatste moment in gereedheid gebracht voor hun opvang. Het zijn veelal kampen die in de oorlog als concentratiekamp zijn gebruikt, of direct na de oorlog als DUW-kamp voor tewerkgestelde arbeiders. Het is de enige mogelijkheid om de Molukkers tijdelijk te huisvesten. Hoewel er geen oplossing in zicht is, blijft de regering ervan uit gaan dat de ex-soldaten spoedig weer naar hun eigen land zullen terugkeren. De Molukkers zelf hebben bij hun aankomst geen idee wat hun te wachten staat, behalve dat ook zij verwachten spoedig weer terug te keren. Moeder en dochter Hitijahubessy wachten hun lot gelaten af in het demobilisatiecentrum in Amersfoort, waar alle Molukkers geregistreerd worden. Tekst 2 De Molukkers worden in totaal in 75 kampen, verspreid over het hele land, gehuisvest. De grootste kampen zijn de voormalige concentratiekampen in Vught en Westerbork. Koos Taihuttu krijgt met de rest van zijn gezin in het doorgangskamp in Amersfoort de letter ‘0′ opgespeld, zonder dat hij weet wat dat betekent. Pas als hij de bus uitstapt, merkt hij dat in het kamp Schutsluizen bij Tiel terecht is gekomen. Tekst 3 Eten is voorlopig de belangrijkste bezigheid van de Molukkers in de kampen. Werken mogen ze voorlopig niet, omdat de regering bang is dat ze de plaatsen van Nederlanders innemen. De leiding over de kampen berust bij de beheerder, een Nederlander die op het kamp zelf in een eigen huis woont. Voor de dagelijkse gang van zaken voert hij overleg met de kampraad, de vertegenwoordiging van de bewoners. Het toezicht over de kampen wordt uitgeoefend door het CAZ, het Commissariaat Ambonezenzorg. Regionale commissarissen bezoeken regelmatig de kampen. Niet in alle kampen is de huisvesting even slecht. Guus Siwaletty heeft het redelijk getroffen. Met zijn vrouw en vier kinderen heeft hij de beschikking over twee behoorlijke kamers in een voormalig klooster in Limburg, waar zo’n 30 Molukse gezinnen zijn ondergebracht. Siwaletty klaagt dan ook niet over de opvang, maar toch was het leven ook voor hem de eerste jaren niet makkelijk. Tekst 6 Het is voor de Molukkers niet overal moeilijk om contact te leggen met de Nederlandse bevolking. Tom Tomassowa, die in Schattenberg is ondergebracht, heeft een geheel andere ervaring. Tekst 7 Het verschil tussen het leven in de kampen en dat in de omliggende Nederlandse dorpen en steden, is niet alleen het verschil tussen oost en west. Het is ook het verschil tussen het burgerbestaan en dat van de militair. In de kampen wordt het kazerneleven van vroeger zoveel mogelijk nagebootst. In ieder kamp wordt een kampraad gevormd, waarin de hoogste in rang nog steeds de baas is. In Sluis, een kamp bij Woerden, heeft sergeant-majoor Bindoni Patinasarani het voor het zeggen. tekst 8 Een in de oorlog door de Duitsers gebouwd militair complex in het Gelderse Teuge dient als huisvesting voor een grote groep Molukkers. Met Jordan Renleo en Tilly Patipeilohy, die nu in de Molukse wijk in het nabijgelegen Twello wonen, lopen we over het kampterrein, tegenwoordig dat tegenwoordig in gebruik is bij het Nederlandse leger. tekst 9 Omdat de kampen vaak afgelegen liggen, is er weinig contact met Nederlanders. De kinderen naar hun eigen kampschool, en worden volgens de Molukse adat, de traditionele leefregels, opgevoed. Ook Lies Tohata, Lena Hallatu en Tilly Patipeilohy groeien in kamp Teuge op in een afgeschermd milieu. tekst 10 Om het contact met Nederlandse gezinnen te bevorderen, mogen Molukse jongeren in de vakantietijd bij Nederlandse gastgezinnen komen logeren. Koos Taihuttu, die dan in het kamp Blerick bij Venlo woont, is één van de kinderen die zich daarvoor opgeeft. tekst 11 Het stiekem gaan werken, waar ook Koos Taihuttu de ouderen mee helpt, komt in het begin veel voor. Peter Soumokil is één van die ouderen, die er zelf op uittrekt. Tekst 12 Er zijn oorzaken genoeg aan te wijzen, voor de regelmatig voorkomende conflicten. Slechte behuizing, geen werk en nauwelijks geld. Maar volgens Alexander Hitipeuw is de keuken de belangrijkste bron van ergernis. Tekst 13 Bij de conflicten gaat het niet altijd om de kwaliteit van het eten. Te weinig eten is ook reden om de beheerder aan te pakken. Riek Leiwakapessy. Tekst 14 Na verloop van tijd nemen de problemen rond het eten af, omdat in de meeste kampen de bewoners het eten in de gaarkeukens zelf gaan klaarmaken. Zo ook in kamp Sluis, waar Bindoni Patinasarani na overleg met de beheerder en de inspecteur van het Commissariaat Ambonezenzorg, toestemming krijgt om het koken in eigen hand te nemen. Als kampoudste en leider van de kampraad vertegenwoordigt hij de bewoners. tekst 15 In weinig kampen lukt het de Molukse kampraad om de eenheid onder de bewoners te bewaren. Dat komt door de politieke verdeeldheid, die vanaf het begin in de kampen heerst. Er zijn twee grote partijen: de BPRMS, de volksvertegenwoordiging van de Molukken die wel over de sociale problemen met de Nederlandse overheid wil onderhandelen, en de CRAMS, het Comité Rechtspositie Ambonese Militairen en Schepelingen, dat elke tegemoetkoming aan de Nederlandse overheid afwijst. In de meeste kampen wonen aanhangers van beide partijen, wat tot grote spanningen leidt. Teuge is één van de kampen waar een felle strijd uitbreekt. Lies Tohata en Lena Hallatu zijn er als kleine meisjes getuige van dat de fanatieke CRAMS-leden na onderlinge gevechten uit de kampen worden weggevoerd. Tekst 16 Om de rust in de kampen te herstellen, worden de meeste aanhangers van de CRAMS gedwongen om naar eigen kampen te verhuizen. Accepteren zij het overheidsbeleid niet, dan komen zij in strafkampen terecht waar ze van de buitenwereld worden afgesloten. Ze zitten daar samen met leden van de PNMS, een kleine maar nog fanatiekere partij. Omdat haar vader aanhanger is van deze partij, verblijft Irene Hitijahubessy bijna drie jaar in strafkampen in Vlissingen en Burghsluis. Daarna moet ze weer naar een ander strafkamp.nl