Alles
nl
Aflevering 3 van de vijfdelige Spoor Terugserie De Mediene, over het joodse leven in de provincie voor de Tweede Wereldoorlog. Vanaf de kansel en in de katholieke pers werd gefulmineerd tegen de joden, die er hun schouders over ophaalden. Zij pasten zich aan aan de katholieke bevolking, en vierden vrolijk carnaval mee. Aan het woord: - Salvador Bloemgarten - Jacques Lemmens - Mw. Wesli - Benoit Wesli Inleidende teksten: Onze serie naar het Joodse leven in de Mediene, de provincie voor de Tweede Wereldoorlog, voert ons vandaag naar het uiterste zuiden van ons land, naar Maastricht en Sittard. Hoe zagen die twee joodse killes te midden van het katholicisme eruit, leefde men gescheiden of broederlijk samen. Was er antisemitisme en wat deden de joden ertegen. Aflevering drie van de Mediene, samengesteld door Kiki Amsberg. TEKST 1 Op 20 juli 1808 wordt bij keizerlijk dekreet bepaald dat alle ingezetenen van het Napoleontische Rijk, dus ook het ingelijfde Limburg, een voornaam en een familienaam moeten dragen. De Joden moeten een einde maken aan de verwarde toestanden door bij hun woongemeente te verklaren hoe ze willen heten. Zo zien we allerlei joodse voornamen veranderen, alleen de eerste letter wordt behouden: Herts wordt Henri, Meijer wordt Manuel, Abraham verandert in August, Samuel wordt Silvain en Isaac Isidore, Edle wordt Adelaide, Froona wordt Frederika en Bella wordt Sybille, Rachel wordt Rosette en Lea Helene. Veel achternamen kregen onder de Franse invloed in Maastricht en de Franse taal die er gesproken werd een Franse klank: joden adopteerden namen als Boneur, Fortune, Printemps, D'Espoir en Maison Pierre. En als men niet francofiel was werd het Silverberg, Wijngaard, Coopmans en Heuvelmans als nieuwe naam. Maar Aron Cohen kon ook veranderen in Jan Willem Gier. Aan de naam kon men de Joden dus niet meer herkennen. Hoewel er in de Middeleeuwen over een Joodse wijk, een Vicus Judeorum en een Jodenstraat, Platea Judeorum wordt gesproken, is er in de tweede helft van de 19 e eeuw geen sprake meer van een Jodenbuurt. In 1839 wordt begonnen met de bouw van de grote synagoge in de Capucijnengang bij de Bogaardenstraat, met ritueel bad, school en woning van de bewaker. In 1930 zijn er 247 joden in Maastricht, in 1941 is dat opgelopen tot 500, op een totale bevolking van 67.000 zielen. Zo'n tweehonderd Joodse vluchtelingen uit Duitsland blijft in Maastricht hangen. De assimilatie met de katholieke omgeving gaat zo ver dat men van kerk en kerkhof spreekt in plaats van sjoel en begraafplaats, en van kerkbestuurder in plaats van manhieg wat een opzichter is. In plaats van Barmitswa wordt er gesproken van de communie doen. De sjoel, van oudsher een ruimte waarin met onder elkaar was en spontaan mocht meezingen, of praten, moest ook onder invloed van de omringende vroomheid een ruimte worden voor ingetogenheid. De ouders en grootouders van historicus Salvador Bloemgarten zijn Maastrichtse Joden. De grootvader van moeders kant, Salvador Hertog, een Sefardische Jood, is drukker en tevens uitgever van een Maastrichtse krant. Zijn zoon, Salvador, is schrijver van romans over het Joodse leven in de Limburgse hoofdstad. De dochter is de moeder van Salvador Boemgarten. Van vaders kant is de grootvader gelieerd aan de familie Wesly, ook een oude Maastrichtse familie. We maken met Salvador Bloemgarten een tocht door het Maastricht van zijn Joodse ouders en voorouders. TEKST 2 Joden deden mee aan carnaval, ze speelden in de harmonie, zongen in de Maatreechter Staar, ze waren gewoon geïntegreerd. En toch sprak men over de judensuppe. Er was meer antisemitisme dan de joden wilden zien. Ze probeerden het zelfs af en toe te verdonkeremanen. Jacques Lemmens is historicus en schreef een boek over het Joodse leven in Maastricht. Hij baseerde zich op Joodse en op niet-Joodse archieven. Wat viel hem op in de verhouding Joden en Katholieken in Maastricht? TEKST 3 Uit het antisemitische weekblad, de Talmudjood van 13 maart 1892, een blad uitgegeven in Meerssen door J. Russel: TEKST 4 Terug naar het leven van de ouders en grootouders van Bloemgarten in het Maastricht aan het begin van deze eeuw TEKST 5 Mevrouw Wesli komt uit Halberstadt uit een orthodox gezin. Ze leert haar man op een feestje kennen bij een tante. Hij behoort tot een oude joodse Maastrichtse familie. Ze is van huis uit orthodox en is dat ook gebleven. De vader van haar man had een slagerij, maar mevrouw Wesli voelde zich niet geschikt als slagersvrouw. Haar man begon een grossierderij in vee en vlees. De Wesli en de Bloemgartens zijn familie van elkaar. Mevrouw Wesli is een volle nicht van Salvador Bloemgarten. Zij leidt één van de oudste chewres in ons land, de Maastrichtse Joodse vrouwenvereniging voor de lijkbezorging. TEKST 6 De zoon van mevrouw Wesli, Benoit, is een achterneef van Salvador Bloemgarten. Hij is zakenman, en heeft een vooraanstaande positie in het Maastrichtse. Hij is voorzitter van de Joodse Gemeente in Maastricht. Er leven nu nog zo'n 115 aangesloten en 80 niet aangesloten Joden in Maastricht. De sjoel is weer in gebruik en de belangstelling voor het joodse leven groeit. Zelf is hij na de oorlog geboren. Een positie zoals hij die nu in de stad heeft, was voor de oorlog volgens hem niet mogelijk. Zijn vader heeft zich altijd aangepast en hem in die geest ook opgevoed. TEKST 7 Tenslotte gaan we naar het Gemeentearchief, waar Salvador Bloemgarten een opmerkelijke vondst doet. Uitgebreidere documentatie aanwezig in VPRO archief nl