Alles
nl
Deel één van een tweeluik over de geschiedenis en positie van visueel gehandicapten in Nederland. Dit deel gaat over het geïsoleerde leven van visueel gehandicapten in instituten en internaten. Interviews met: - de 96-jarige Henk van den Berg vertelt over zijn jeugd in een internaat en zijn levenslange strijd voor een menswaardig bestaan voor blinden, voor betere arbeidsomstandigheden en tegen liefdadigheid. - Piet Kool, eveneens over de Nederlandse Blindenbond, over liefdadigheid en over de arbeidsomstandigheden in werkplaatsen voor blinden. - Ko Zuurmond, over het blindeninstituut 'Prins Alexanderstichting' in Huis ter Heide - Jules de Corte, over het blindeninstituut 'St. Henricus' in Grave, over de borstelmakerij en zijn muziekopleiding en over de oorlog die voor hem meer vrijheid bracht. - Marjan van Manen, over haar problemen bij het vinden van werk. Inleidende teksten: Tekst 1 Ook op zijn oude dag wordt de nu 96-jarige Henk van den Berg als blinde nog lastiggevallen met ouderwetse liefdadigheid. En dat terwijl hij zijn hele leven gestreden heeft voor een menswaardige behandeling van de blinden in Nederland. In Nederland, waar de christelijke naastenliefde van oudsher gepredikt wordt, zijn de blinden altijd een dankbaar object van liefdadigheid geweest. Al in 1808 wordt door de Broederschap der vrijmetselaarsloges in Amsterdam de eerste blindenschool opgericht. De charitatieve blindenzorg verspreidt zich daarna over het land, als ook katholieke en protestants-christelijke liefdadigheidsinstellingen zich met blindenzorg gaan bezighouden. Het zijn vooral dames van goede komaf die zich in blindencomités verenigen om in ruil voor dankbaarheid en onderdanigheid hun misdeelde medemens te ondersteunen. Ondanks alle liefdadigheid verkeren de meeste blinden aan het begin van deze eeuw nog in kommervolle omstandigheden. De charitas bereikt lang niet iedereen en passend werk is er nauwelijks te vinden. Vele blinden lopen bedelend langs de straten. Als Henk van den Berg in 1906 op tienjarige leeftijd door een erfelijke ziekte blind wordt, is hij de tweede van in totaal vier broers die dit lot treft. Voor het Arnhemse arbeidersgezin is dat een enorme tegenslag, omdat er door de zoons nu nauwelijks iets verdiend kan worden. De jonge Henk kan ook niet meer naar school, zwerft wat rond op straat en brengt af en toe nog wat kranten rond waarmee hij een paar centen verdient. Zijn bestaan lijkt uitzichtloos. tekst 2 Ko Zuurmond is blind geboren en heeft het grootste deel van haar leven in instituten doorgebracht. In 1916, als ze 5 jaar oud is, moet ze weg uit het ouderlijk huis in Scheveningen. Ze wordt ondergebracht in blindeninstituut Prins Alexanderstichting in Huis ter Heide. tekst 3 Dit was een fragment uit een uitzending van de KRO ter gelegenheid van het eeuwfeest van blindeninstituut St. Henricus uit 1959. Pianist en zanger Jules de Corte heeft van 1931 tot 1945 op dit internaat gezeten. De Corte, geboren in de Peel als zoon van een veenarbeider is al sinds zijn eerste jaar blind. Van het leven in het ouderlijk huis voor hij naar het blindeninstituut ging, kan hij zich niets herinneren. De Corte gaat al rond zijn derde verjaardag uit huis. Niet direct naar de fraters van St. Henricus, maar eerst naar de Wijnberg, een instituut voor meisjes en vrouwen, ook in Grave, waar de Zusters van Tilburg de scepter zwaaien. tekst 4 Er wordt veel gestraft in St. Henricus. Op je knieën onder de klok zitten is een lichte straf. De fraters slaan er zo nu en dan ook flink op los, en als je tijdens de maaltijd moet overgeven, word je gedwongen het braaksel alsnog op te eten. Het grootste taboe op het instituut is seksualiteit. Zelfbevrediging wordt zwaar gestraft, en intiem onderling contact tussen de jongens is helemaal uit den boze. Toch komt het voor. Tekst 5 Net als de confessionele blindengestichten, zoals ze dan nog heten, is het neutrale blindeninstituut in Amsterdam een opleidingsinstituut. De blinde kinderen leren niet alleen het Braille-schrift en de traditionele schoolvakken, ook worden ze er opgeleid voor een vak. Wie geen muzikale aanleg heeft, ontkomt bijna niet aan het mandenmaken, borstelmaken of mattenvlechten. Ook Henk van den Berg leert in Amsterdam dit traditionele blindenwerk. Door het strenge en autoritaire regime in Amsterdam is het hem steeds duidelijker geworden dat de blinden ook zelf voor hun rechten op moeten komen. Er bestaat al wel sinds 1895 een Nederlandse Blindenbond, de oudste door gehandicapten zelf opgerichte belangenvereniging, maar deze bond toont zich tot de jaren twintig weinig strijdbaar. Als Henk van den Berg op zijn 18e weer naar huis gaat om in de mattenmakerij van zijn broer te gaan werken, is hij vastbesloten om zich voor het lot van de blinden in te gaan zetten. Tekst 5A Een nagespeeld fragment uit één van de honderden toespraken van Johan van den Berg, vanaf 1925 propagandist van de Nederlandse Blindenbond. Tekst 6 Natuurlijk krijgt de Nederlandse Blindenbond al snel concurrentie van een katholieke en protestants-christelijke blindenbond, die vooral de charitatieve blindenzorg blijven propageren. Toch dringt ook tot de overheid langzamerhand het besef door dat blindenzorg niet alleen van particulier initiatief afhankelijk kan zijn. In Amsterdam en Den Haag komen in de jaren twintig gemeentelijke werkplaatsen tot stand waar blinden en andere gehandicapten te werk gesteld worden. Speciale blindencommissies gaan zich in de grote steden met de maatschappelijke problemen van blinden en slechtzienden bezighouden. Namens de Nederlandse Blindenbond neemt Piet Kool zitting in de Amsterdamse Blindencommissie. Hij bemoeit zich vooral met de arbeidsomstandigheden in de werkplaatsen en de overdreven liefdadigheid. tekst 7 Ondanks alle inspanningen van de blindenbond, is het met de emancipatie van de blinden droef gesteld in. de jaren dertig. Middelbaar onderwijs voor blinden bestaat nog niet en buiten de speciaal voor hen ingerichte werkplaatsen is het voor blinden bijna onmogelijk een baan te vinden. Marjan van Maanen is op haar zestiende door haar ouders van het Amsterdamse instituut gehaald, omdat ze vinden dat de omgeving niet goed voor haar is en ze er veel te weinig leert. Terug bij haar ouders in Den Haag volgt ze een opleiding tot typiste, waarvoor ze in 1931 haar diploma haalt. Het duurt zes jaar voor ze uiteindelijk een baan vindt. tekst 8 In de loop der jaren raakt het steeds meer in zwang een blinde als telefonist aan te stellen. Toch is telefonist niet het eerste blindenberoep dat buiten de werkplaats kan worden uitgeoefend, dat is organist of pianostemmer. Van oudsher kunnen de meest muzikaal begaafde blinden op de instituten een muziekopleiding volgen. Zo ook Jules de Corte, zij het maar voor halve dagen, want als muzikant kom je volgens de fraters moeilijk aan de kost. Dus moet De Corte naast zijn muziekopleiding halve dagen in de borstelmakerij werken. Het uitbreken van de oorlog in 1940 heeft geen invloed op het besloten kloosterleven in het instituut in Grave. De Corte en zijn medebewoners gaan gewoon door met borstels maken en piano spelen. Pas eind 1944, als de geallieerden geland zijn en het front steeds naderbij komt, verandert er wat. De meeste bewoners gaan naar huis, om daar het einde van de strijd af te wachten. Voor degenen die achterblijven wordt het leven een stuk vrolijker, de strenge discipline valt weg. Uitgebreidere documentatie aanwezig in VPRO archiefnl